zaterdag 17 april 2010

De Mosselman

Een groot bord hangt aan de gevel van een gebouw dat meer valt dan staat. ‘Antiek en curiosa’. Daaronder: ‘De Mosselman’. De naam voorspelt al niet veel goeds. Wie bedenkt zoiets? Kijk, als je nu Mosselman van je achternaam heet, dan is het tot daaraan toe. Maar dan nog noem je je antiekwinkel uit puur respect voor de eventuele koper gewoon niet De Mosselman. Nog erger: de eigenaar heet helemaal geen Mosselman, maar bedacht dat De Mosselman een oud Nederlands liedje is (overigens ook een prachtig zang – en drankspel) en dat antiek toevallig ook oud is. Nou, dan is de naam inderdaad snel verzonnen.

Ach, ik kan het enigszins van me afzetten, totdat ik door de grote deur een donkere ruimte binnen stap. Enorme hopen spullen stapelen zich tegen de wand van de grote loods op. De gangpaden zijn afgebakend door langs de zijkant geplaatste spulletjes. Elk plekje is benut door antiek/ curiosa.

Het eerste gangpad ga ik links, waar ik direct een mooie houten tafel zie staan met een grote sticker ‘Verkocht’ er op. Aan de tafel zijn keurig zes kroeg-achtige stoeltjes geschoven. Ik blijf staan en voel aan het hout. Dat schijn je te moeten doen in zo’n winkel. Niet alleen kijken, ook voelen, omdraaien, op kloppen en eventueel nog even de neus langs de goederen laten gaan. Laat het op je inwerken, is mijn tip.

Ik sta daar die stoeltjes dus op me te laten inwerken als een wat uitgedijde man (lees: hij stoot al het antiek van de plaats met zijn zwemband) met een enorme jampotbril mijn kant op komt. Ik denk dat hij me aankijkt. Dat weet je nooit met die jampotbrillen. Ik gok de eigenaar. Hij heeft me zien voelen aan het hout en bestempelt me direct als een kenner. “Ja mevrouwtje, dat zijn nu echt Thonet-stoeltjes.” Hij puft wat adem uit na het voltooien van die zin. “Thorme-wattes?”, vraag ik. (Geef toe, jij zou dat ook doen. Toch?) “Kent u Thonet niet, mevrouw?” “Uhhhh, nee, meneertje.” “Nou, dan heeft die gesprek totaal geen zin”, antwoordt de mogelijke Mosselman gedecideerd. Diep beledigd en met een zelfcomplex van de zes Thonet-stoeltjes tot de kleding aan de achterkant van de loods besluit ik Dhr. Mosselmania achter me te laten. 

De Mosselman heeft alles. Van kleding tot schoenen, van reiskoffers tot strips, van sleutelhangers tot complete computers. Maar een ding valt op. Midden in de zaal staat een tafel vol met alle spullen die Coca Cola ooit op de markt heeft gebracht. En het meest fascinerende: een hele verzameling Cola-blikjes. Ik heb ze niet geteld, maar er moeten minstens 200 lege blikjes staan. Keurig op een rijtje, allemaal om de klant te behagen. Ze staan niet alleen uitgestald op de donkerhouten tafel, maar ook in Chiquita-dozen onder, naast en tegenover de tafel. Iemand heeft dus ooit bedacht dat hij of zij Cola-blikjes het verzamelen waard vond. Een hebbeding, een must have, een waar collectorsitem. Zoveel waard dat hij of zij bedacht elk Cola-blikje dat opgedronken werd, te bewaren. Because they’re worth it. Toegegeven: elk blikje is intact en ik weet bijna zeker dat je een gratis Cola-hoed (zo’n Heinekenhoed maar dan van het merk Coca Cola) kunt krijgen als je de Bebrilde Dikzak lief aankijkt.

Weet je wat nu het mooie is van De Mosselman? Hij gebruikt de antiek/curiosa voor eigen gebruik. Overal in de zaak staan op strategische punten, onder een tafel, op een koelkast, tussen wat kleding, naast een radio, asbakken. En in elke asbak liggen keurig drie of vier uitgedrukte sigaretten. Allen zijn ze zwaar tot het filter afgelurkt en keihard met de kop tegen het koude steen van hun laatste rustplaats gedrukt.

Dat is nu verkopen, zeg ik je! Laat zien wat zo’n ding doet. Anders sta ik er ook alleen maar verdwaasd naar te kijken. Zeker bij een asbak. Die is namelijk multifunctioneel. Gebruik ‘m als schaaltje voor de olijven, als zeepbakje, als bakje waarin je je handen kunt wassen na het ontpellen van garnalen, etc etc. De Mosselman heeft, zo slim als hij is, alvast het heft in eigen handen genomen en de koper direct uit de verwarring geholpen. ‘Nee, wat je ook denkt: dit is een asbak, want kijk er liggen peuken in.’ Das nu nog eens marketing.

De Mosselman: antiek en curiosa. Wat mij betreft mag het stuk met ‘antiek’ wel van de gevel vallen. En liever:

De Mosselman: curieus in zijn curiositeit 
(bij elke aankoop een Cola-blikje gratis)

Das pas marketing.

maandag 22 maart 2010

Flirten


Flirten. Sinds ik een lief vriendje heb, mag het natuurlijk niet meer, maar soms gebeurt het gewoon. Per ongeluk. En vooral als ik lekker aan het stappen ben met een groep vriendinnen. Laten we het daarom maar gewoon op de groepsdruk gooien. Ik wil niet, maar ik moet van de rest. 

Het Vaatje, maandagnacht, 3:06 uur. We staan achterin in de kroeg. Plotseling komt er een jongen voor me staan. Ik kijk naar zijn rug. Hij is net iets kleiner dan ik ben, heeft een keurige haakneus en wild donker haar. Ik besluit even zijn wang aan te tikken. Waarom vraag ik me pas de volgende morgen af en het enige antwoord is: groepsdruk. (Het feit dat de rest van de groep zich nog met mij, nog met die jongen voor mij bezighoudt, is een detail en dus te verwaarlozen) Mijn beide handen richten zich op, weten zich kundig langs het hoofd en over de schouders van de dan nog onwetende jongeman te manoeuvreren en geven ieder voor zich een kort klopje op de blozende wangen. Snel trek ik de handen terug en hef ze op als in een dans. De jongen kijkt verward om. Ik gniffel. Plots komt een vriendinnetje naar me toe: “Wat ben jij in godsnaam aan het doen joh?!” zegt ze lacherig. Ik, volledig beduusd door zo’n conservatieve uitspatting, zeg: “Ja, grappig toch?!” Het vriendinnetje vindt het duidelijk ook hilarisch, maar al snel kom ik er achter dat zij om een andere grap lacht dan ik. 

“Hoezo tik je haar op de wang?” Snel probeer ik te bedenken wat ze bedoelt met 'haar'. De jongen voor me ziet er toch echt uit als een kerel. Mijn blik glijdt naar beneden: een piepklein schoudertasje bungelt aan haar linkerschouder. SHIT! Mijn vriendin begeleidt me naar de plek waar zij eerder stond, van waaruit ik een prachtig uitzicht heb op de borstpartij en het glittertopje van de vrouw wiens gezicht ik zojuist beroerd heb.

Ik vertelde het verhaal aan mijn vriendje. Terwijl ik dubbel lag om het verhaal, kon hij slechts gegeneerd kijken. Ik zou overigens laaiend zijn als hij zelf zoiets zou doen, maar dat terzijde. Sindsdien pest hij me met mijn blunder. Een reden voor mij om nooit meer mannen EN vrouwen op de wang te tikken. En als de groepsdruk te hoog wordt, test ik eerst of de persoon wel tot de ‘juiste’ sekse behoort. Lijkt me een goede deal. 


Lama

Een borrel met vijftig vrouwen in een onbekend kroegje in Groningen. Ik sta bij de pooltafel te praten met een van de 49 vrouwen. Dit is de eerste keer dat ik haar spreek, dus het gaat vooral over basisdingen: over mijn studie Journalistiek bijvoorbeeld. Ook zij is geïnteresseerd in deze opleiding. Dat maakt het voor mij altijd een topgesprek.

Naast mij op de pooltafel staat een enorme bak met chips en daar bovenop zoute stokjes. Je kent ze wel. Vroeger at ik altijd eerst de zoute stukjes voordat ik aan de stokjes zelf begon. Ik heb een aantal biertjes gedronken, dus krijg ik zin in zout. Ik pak een stokje. Om beschaafd over te komen, knabbel ik het stokje op een normale manier op. Ik praat verder.

Plots begint het meisje voor me wild in haar oog te wrijven. “Joh, heb je zo’n last van je lenzen?” vraag ik haar. Ik weet niet waarom ik per se vind dat zij lenzen heeft en nog beter, waarom ze precies die avond last heeft van haar lenzen, maar voor mij is 1 en 1: 2. Wrijven in de ogen = lensproblemen. “Uh nee”, zegt ze in volle eerlijkheid, “je spuugde in mijn oog.” Alsof dat niet gênant genoeg is, wijdt ze ook nog uit over de toedracht van mijn lamagedrag. “Het was vast een stukje chips.” Ik wil nog zeggen: ‘volgensmij was het een zout stokje’, maar ik wil het moment niet verergeren. Dus loop ik weg, pak onderweg nog een hand zoute stokjes en ga alleen in de hoek staan. Vanaf nu is de lama een solodier.

zaterdag 27 februari 2010

De dood van Mila Burgers is een Russisch sprookje

De Nederlandse schrijver Pieter Waterdrinker voert de lezer meer naar het romantische Rusland, waar geld, seks en liefde aan de basis staan van Mila Burgers bestaan. De dood van Mila Burger is een sprookjesachtige roman waarin Waterdrinker een prachtige balans creëert tussen het burgerlijke Nederland en het avontuurlijke Rusland. 

zondag 14 februari 2010

Enquist dringt door tot de essentie van het bestaan met haar gedichtenbundel Nieuws van Nergens

De Nederlandse schrijfster Anna Enquist brengt deze maand alweer haar achtste gedichtenbundel uit. Nieuws van nergens is een verzameling van gedichten die de lezer terugvoert naar de essentie van het menselijke zijn. Enquist rebelleert tegen het hier en nu: ze kiest voor stilstand, niet voor gehaastheid. Het resultaat is een prachtige gedichtenbundel, waarin Enquist emoties en verlangen met precies de juiste woorden weet te typeren.

donderdag 11 februari 2010

Pavlos

 Een andere vorm van 'De Griekse God'

Een weekje Kos. Met een vriendin en onze twee moeders lekker kletsen, eten en drinken. In het vliegtuig richting het Griekse eiland besluiten we elke Griekse man vanaf nu Pavlos te noemen. Dat vonden we grappig.  Al bij het eerste welkomstdrankje heeft mijn vriendin de barman op het oog, of eigenlijk: hij krijgt haar in de smiezen. Het Griekse charmekanon wordt geladen en afgevuurd. Mijn vriendin valt als een kanonskogel voor de God van Olympus, Pavlos. 

Binnen drie dagen is de liefde verklaard: hij houdt van mijn vriendin. En zij stiekem ook wel een beetje van hem, maar dat moet je in haar optiek nooit te snel erkennen! Dus houdt ze een beetje afstand. Maar Pavlos wil daar niks van weten. 

Pavlos is het stereotype Griek: mooie man, getinte huid, donkere ogen waarin elke Hollandse vrouw verdrinkt, een enorme dosis charme, twee kinderen, een stukgelopen huwelijk en een sexy Grieks accent als hij Engels spreekt. Of eigenlijk spreekt Pavlos nauwelijks Engels, laat staan dat hij het schrijft. Nee, Pavlos is ook een macho en een patriot: hij houdt van zijn land en adoreert de taal. Als Pavlos en mijn vriendin elkaar zien, dan spreekt de liefde voor hen, maar zijn ze van elkaar verwijderd, dan verloopt de communicatie via sms. En dat kan nogal eens problemen opleveren. Zij smst in het Engels, hij stuurt iets terug in het Grieks. Gevolg: mijn vriendin moet dit laten vertalen door een Griek die Engels spreekt. En als een intens verliefd koppel aangewezen is op het vertalen van smsjes door anderen, dan kan dit nog wel eens genante situaties opleveren. 

Het eerste smsje rolt de inbox in. Ik bied aan het smsje te laten vertalen door iemand. Vol goede moed loop ik naar Barman II: een lelijke en oudere versie van Pavlos. Mijn intuitie (gehard en ontwikkeld door de eerdere genante momenten uit mijn leven) waarschuwt me: "Neeeee, doe het niet! Dit wordt genant. Jongen!" Maar ik loop, want dat is het minste wat ik voor mijn vriendinnetje kan doen. 

"Could you please translate this text message for me?"
"Sure." Het blijft even stil. "I want you."
"Excuse me?!"
"Yes, I want you", zegt Barman Lelijk nog een keer.
Ik dacht dat de Griekse mannen, en zeker barmannen, charmant en erg om de hete brij heen draaiend waren, maar dit is wel erg direct. Op het moment dat de woorden "I don't want you, you dirty bastard" bijna uit mijn mond schieten, bedenk ik me dat hij slechts heeft gedaan wat ik hem gevraagd heb te doen. Mijn wangen kleuren weer rood en terwijl ik "Oh, thank you" mompel, loop ik terug naar mijn vriendin. "Hij wil je", zeg ik, terwijl ik haar telefoon overhandig. "Althans, Pavlos dan."

Herman en ik

Ik had een nieuwe telefoon nodig. Samsung, ooit gedacht dat dit mijn trouwe vriend was, bleek het na een maand te begeven. Ik ging voor de Nokia. Op naar de BelWinkel. Ik kom binnen, snuf een beetje nonchi rond en blijf dan voor de etalage met glinsterende, mij toelachende Nokia’s staan. Snel corrigeer ik mezelf: ik wil iets praktisch, zonder snufjes, zonder toeters en bellen. Ik wil sms’en en bellen, that’s it.

Al snel merkt een medewerker mijn dralende gedrag op. Wat in mijn hoofd afspeelt, uit zich meestal in mijn gedrag. Zo kan ik ook nooit zittend bellen, maar loop ik vaak een kilometer per telefoongesprek. Misschien moet de medewerker dit ook weten. Hij stapt op me af: “Mevrouw, kan ik u ergens mee helpen?” Ik draai me om. “Nou, graag.” De man die voor me staat is het prototype Herman. Omdat ik geen naamkaartje op zijn BelWinkel-blouse zie staan, noem ik hem dan ook maar Herman.

“Luister Herman, ik wil iets praktisch.” Ik gooi het hele ik-ben-lekker-alternatief-en-doe-niet-aan-alle-laatste-telefoontrends-mee riedeltje eruit. Herman kijkt verbaasd. Ik zie dat hij me inschat: Jonge meid, 20 jaar (je moet jezelf altijd een paar jaartjes extra geven!), leuke kleding, leuk koppie (beetje arrogantie mag ook). Niet het type dat een simpele Nokia koopt. Mijn type wil flitsend, piepend, trillend, internet, bluetooth, gadgets, spelletjes en nog veel meer. Dat wil ik, volgens Herman dan. Op mijn beurt schat ik Herman in: nerderig brilletje = nerd, de BelWinkel-blouse strak om zijn buik gespannen = te dik, een oog kijkt me aan, de andere kijkt richting de opening van mijn jas = bewust loensgedrag, zenuwachtig heen en weer lopend tussen de etalage en zijn computer = zenuwachtig door het stuk vrouwelijk schoon dat voor hem staat. Zoals ik al zei: arrogant zijn mag.

Herman en ik beginnen op basis van onze vooroordelen te handelen. En dat is ronduit grappig en super ongemakkelijk. Ik maak grapjes over Telfort en KPN, maar ook probeer ik met hem te levelen op het gebied van geheugenkaarten, telefoonhoesjes en MMS-SMS-GPS. Nog grappiger vind ik de situatie waarin me samen belanden als ik vraag of Herman al mijn foto’s en smsjes over wil zetten op de nieuwe Nokia. Niet alle foto’s en smsjes zijn voor andermans ogen bestemd, maar ik besluit Hermanus te testen. Het resultaat: hij begeeft het bijna. Erg grappig om te zien. Ik maak dus grapjes, en geloof me, als ik zeg dat ik grapjes maak, dan ben ik GRAPPIG! Lachen, gieren, brullen-grappig! Maar Herman lacht niet. Herman kijkt van zijn computerscherm naar mijn mobiel en van mijn mobiel naar zijn toetsenbord. Puur angstzweet verschijnt op zijn hoofd.

Ik eindig met een supersimpele Nokia van twee seizoenen geleden. Terwijl ik mijn spulletjes bij elkaar pak, bedenk ik dat al dat levelen helemaal geen zin heeft. Herman is anders en wij zullen nooit eens lekker op hetzelfde niveau kunnen kletsen. Ik besluit Herman maar ‘een raar mannetje’ te vinden en loop weg. Vlak voordat ik de winkel uitstap, hoor ik Herman nog net met zijn collega’s gniffelen: “Gnegnegne, wat een rare meid!” Zo, dat stukje wie-de-bal-kaatst-kan-‘m-terug-verwachten kan ik mooi in mijn zak steken….